Geschiedenis

DE GESCHIEDENIS VAN MHEER

Mheer is een Nederlands dorp; maar het is ouder dan het Koninkrijk der Nederlanden. De landsgrens tussen Mheer en de Voerstreek is pas als zodanig erkend sinds 1839; voordien was dat een provinciegrens, voor het eerst getrokken in 1795; en voor 1795 hoorde Mheer niet bij wat nu "Nederland" heet, maar bij de Oostenrijkse Nederlanden, die op hun beurt tot 1713 niet onder Oostenrijks, maar onder Spaans gezag vielen.

Om bij de beschouwing van het Mheerder verleden misverstanden te vermijden is het dus verstandig, om het dorp niet te zien als een hoekje van de "vaderlandse geschiedenis", maar als een kleine speelbal in het internationale touwtrekken in Europa. Vanaf zijn ontstaan rond het jaar 1100 is Mheer een grensdorp geweest: het lag altijd in betwist of perifeer gebied. De geschiedenis heeft dan ook heel wat wisselvalligheden gekend; en heeft misschien de bewoners aangeleerd dat ze het eerder van locale samenwerking moesten hebben dan van verre, ongeïnteresseerde en vaak wisselende autoriteiten.

Natuurlijke gesteldheid van het gebied

Belangrijker dan landsgrenzen en politieke gebiedsbepalingen is misschien de landschappelijke situatie van Mheer. Mheer ligt op het Plateau van Margraten: die grote lössvlakte die afgebakend wordt door de valleien van de Maas, de Voer en de Gulp die bij Gulpen in de Geul uitmondt. Het Plateau zelf (de naam zegt het al) is betrekkelijk vlak _ denk aan het landschap tussen Reijmerstok en Margraten; maar aan de randen, waar de hoogvlakte op de genoemde rivierlopen afwatert, komen diep uitgesleten dalen voor. Het zijn die "grubben", dalen en hellingen die aan de rand van het Margratense plateau zijn heuvelachtig en schilderachtig aanzien geven. Meestal zijn het ook deze steilere hellingen die bebost zijn: men denke aan het Savelsbos, de Hoembösj, het Mheerderbos en de Stadshaag.

Van de dorpen op het Plateau van Margraten is Mheer (samen met Noorbeek en Banholt) zowat het enige dat afwatert op de Voer, en niet op de Gulp, de Geul of de Maas. Noorbeek is met de Voer verbonden door het beekje de Noor, via het dal dat langs Altembroek en Gen Vitsje naar Voeren loopt; evenzo is Mheer met de Voer verbonden via het dal dat van de Steeg doorloopt tussen de Hoembusj en de Snauwenberg, en onder Libeek langs bij het kerkhof van 's_Gravenvoeren uitkomt. De Steeg is geen echte waterloop maar een zogenaamd "droogdal"; echter, wie er wel eens loopt weet dat we de term "droog" met een korrel zout moeten nemen en dat het wel degelijk een afwateringsfunctie vervult. Daarom ook dat de zuiveringsinstallatie daar is geplaatst.

Om Mheer dus in zijn eigenlijk context te plaatsen dienen we het niet te beschouwen als een Nederlands dorp maar als een Voerdorp. We zullen dan ook merken dat het belangrijkste nabijgelegen centrum voor Mheer gelegen was in 's_Gravenvoeren.

Die ligging en oriëntering weerspiegelt zich ook in de geschiedenis van het dorp, het kasteel, de parochie en de mensen. Die geschiedenis kan grosso modo in de volgende periode worden ingedeeld:

- de voorgeschiedenis: de Romeinse Tijd (tot ca. 450), de frankisch-merovingische tijd (ca. 450-800) de karolingische en lotharingse tijd (800-1000).

- de feodale tijd (1000-1288).

- de brabantse en bourgondische tijd (1288-1548).

- de tijd van de oorlogen (1548-1662).

- het "ancien régime" onder Spanje en Oostenrijk (1662-1794).

- de Franse, Grootnederlandse en Belgische tijd (1795-1839).

- de Nederlandse tijd (vanaf 1839).

Uit de voorgeschiedenis: prehistorie en Romeinse tijd

Hoe deze streek eruit zag vóór de middeleeuwen, valt moeilijk te zeggen. Iedereen heeft gehoord van de prehistorische vuursteenmijnen van Rijckholt; overal in de omgeving zijn vuurstenen pijlpunten gevonden uit diverse perioden van de Steentijd, en in Mheer, Banholt en St.-Pietersvoeren zijn er "ateliers" geweest, werkplaatsen waar vuursteen tot gereedschap werd bewerkt. Over het toenmalige bevolkingspatroon in deze streken is weinig of niets vast te stellen; in ieder geval is er geen continuïteit van bewoning. De oudste vuursteengebruikers waren vermoedelijk nomaden. Stammen zijn gekomen en gegaan, verhuisd en uitgeroeid; zo bijvoorbeeld met de verovering van deze streek door de Romeinen. We kunnen zelfs niet met zekerheid zeggen of de stammen die hieromtrent rond de eerste eeuw n.Chr. door de Romeinen werden onderworpen, van Germaanse of van Keltische oorsprong waren; temeer daar de Romeinen zelf in deze streken aan een aktieve volkshuisvestingspolitiek deden, en betrouwbare stammen van elders vestigingsmogelijkheden aanboden. Wel is aannemelijk dat Mheer en de gebieden aan deze zijde van de Geul behoorden tot de civitas Tungrorum, een administratief gebied dat zijn hoofdstad had op de plaats waar nu Tongeren ligt.

Na de onderwerping van deze contreien stichtten de Romeinen versterkte nederzettingen op plaatsen waar wegen elkaar kruisten (Coriovallum, waar nu Heerlen ligt) of een rivier overstaken (Mosae Trajectum, Maastricht). Voorts boden de kleine rivierdalen geliefkoosde vestigingsplaatsen voor Romeinse hofsteden, de zg. villae. Uit de vorm van enkele plaatsnamen kunnen we nog de sporen van oude Romeinse bewoning vermoeden.

Net zoals de komst der Romeinen een grote wijziging in het bevolkingspatroon bracht, zo liet ook de ineenstorting van de Romeinse macht alhier een grote chaos achter. Na de komst van de Franken en de Grote Volksverhuizing valt er bijna geen continuïteit tussen de Romeinse en de na-Romeinse tijd in deze contreien te onderkennen. De belangrijke centra (Aken, Maastricht) bleven bewoond en behielden tot op zekere hoogte hun rol van nederzettingscentrum; maar de vele Romeinse landhuizen her en der in de rivierdalen van Zuid-Limburg gingen voor een groot gedeelte spoorloos ten onder. Slechts enkele villae werden door de Franken in gebruik genomen of herbouwd: de dichtstbijzijnde daarvan, van Mheer uit bekeken (maar Mheer was in die tijd nog woest en onontgonnen land) lag in Voeren, d.w.z. in of bij 's-Gravenvoeren.