Schutterij

De oorsprong



Meer dan vier eeuwen geleden werd in Mheer een schutterij, een schuttersgilde of een schutbroederschap opgericht.
Het juiste oprichtingsjaar zou 1567 zijn en dit zou blijken uit een aantekening onderaan een inventarislijst van zilveren schilden, opgemaakt en eigenhandig geschreven op 30 mei 1898 door Levinus baron de Loë (geboren 4 oktober 1861, overleden 5 juni 1925), overgrootvader van de huidige beschermheer der schutterij Diederik baron de Loë.
Na de heroprichting van de schutterij in 1936 werd deze inventarislijst overgetypt, maar helaas slopen er enkele fouten in de nieuwe tekst en één hiervan ging, nadat het origineel verdwenen was, een eigen leven leiden. In deze getypte versie staat letterlijk te lezen : 

"Een wapenschil van het geslacht Imstenrade welke den vogel geschonken hebben om het jaar ± 1617 naar 50 jarig bestaan der schutterij."

In deze zin staan al twee onzekerheden, nl. "om het jaar" en "±" voor het jaartal!
Toch heeft men in 1967, zonder verder onderzoek, deze gelegenheid met beide handen aangegrepen om het 400-jarig bestaansfeest uitbundig te vieren.
Inmiddels is de schutterij dankzij de welwillendheid van baron de Loë weer in het bezit gekomen van de originele handgeschreven versie uit 1898.
Duidelijk is op het origineel te zien dat er geknoeid is met het jaartal en al zou dit niet het geval zijn dan blijft nog de vraag waar de wijsheid vandaan komt dat de vogel geschonken zou zijn ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan der schutterij.
De schutterij is niet in het bezit van geschreven bronnen uit de tijd rond de vermeende oprichting en ook na een intensieve speurtocht in diverse archieven zijn er geen bewijsstukken gevonden die bovenstaande bewering kunnen staven.
"Wat is er dan wel ?", zult u zich afvragen.
Zowel de zilveren vogel als het wapenschild waarvan in de inventarislijst gewag wordt gemaakt zijn bewaard gebleven en deze zullen eens wat nader onder de loep genomen worden.
De Koningsvogel is een zogenaamde gehele, gegraveerde zilveren vogel met opstaande vleugels op getorst takje met vergulde kroon, kam snavel en poten. 

Onder de staart bevinden zich twee zilvermerken die er volgens een deskundige pas later zijn ingeslagen dan dat de vogel gemaakt is. 

Vermoedelijk is de zilveren vogel ongekeurd afgeleverd en heeft men hem later (moeten ?) laten keuren. 

Aan de vijfpuntige ster is te zien dat de keuring is geschied in Maastricht. Naast de Maastrichtse ster staat de jaarletter "Q". 

Deze jaarletter was, volgens een lijst opgesteld door de heer C.G.S.F. Keyser, in Maastricht in gebruik van oktober 1628 tot november 1629. 

Het feit dat er geen meesterteken bijstaat is een reden te meer dat de zilveren vogel later gekeurd is dan dat hij gemaakt is.
Onder aan het takje waarop de vogel staat, hangt een goudverguld zilveren schildje waarin een achtdelig alliantie-wapen is gegraveerd. 

Het betreft hier het alliantie-wapen van het echtpaar Wynand van Imstenraedt-Mheer en Mechtild van den Bongart-Heyden die in het jaar 1602 in het huwelijk zijn getreden.
Een zelfde alliantie-wapen uitgevoerd in mergel bevindt zich boven de grote toegangspoort die toegang geeft tot de binnenplaats van kasteel Mheer. 
Deze wapensteen is aangebracht in 1612 gelijk met de niet mis te verstane wens -SIT PAX INVIOLATA TIBI- (moge de vrede voor u ongeschonden zijn) die eveneens de gevel boven de poortdoorgang siert.
Het echtpaar van Imstenraedt van den Bongart-Heyden is dus zeer waarschijnlijk de schenker van deze wisseltrofee maar dit kan nooit gebeurd zijn in het jaar 1628 of 1629. Wynand van Imstenraedt is namelijk, volgens zijn grafsteen in de kerk van Mheer, overleden op 19 september 1622. Als de zilveren vogel een geschenk is van dit echtpaar, dan zal dat toch zeker gebeurd zijn toen Wynand nog leefde!
Met de aldus verkregen informatie zou de zilveren vogel dus gemaakt en geschonken moeten zijn ná de huwelijkssluiting tussen Wynand en Mechtild en vóór het overlijden van Wynand; dus tussen de jaren 1602 en 1622.

De bewering gedaan in boven aangehaalde inventarislijst : " .... naar 50 jaaren bestaan der schutterij." is, zoals we al zagen, vooralsnog niet te bewijzen. 

Het is wel zeer aannemelijk dat deze schenking gedaan is bij een bijzondere gelegenheid zoals een gouden jubileum of misschien zelfs een eeuwfeest. 

Het is ook mogelijk dat de zilveren vogel is aangeboden bij de oprichting van de schutterij, maar deze veronderstelling waag ik te betwijfelen. 

Het is niet aannemelijk dat een zo kunstzinnig en waardevol geschenk werd aangeboden aan een groepje landslieden dat slechts kort geleden had besloten om een schuttersgilde op te richten. 

Een zeker bestaansrecht zal men toch wel aangetoond moeten hebben en hoe kon men dit beter bewijzen dan dat men al geruime tijd activiteiten ontplooide. 

Maar waarom dan precies een halve eeuw? Een mogelijke verklaring is het volgende : in een tijd waarin bijna niemand kon lezen of schrijven werd ook bijna niets opgeschreven. 

Tradities en gebruiken werden van generatie op generatie mondeling overgeleverd. 

Een kwart eeuw lijkt wat kort om al een jubileum van een vereninging te vieren in die tijd, want 25 jaren zijn ongeveer de tijd dat een vader zijn zoon ziet opgroeien en volwassen worden; en zo zou ook de schutterij dan gezien worden; pas net volwassen. 

Een hele eeuw is weer net te lang; dit ligt weer te ver buiten het gezichtsveld van de mensen van toen. 

Het verhaal is dan al te vaak doorverteld zodat het onbetrouwbaar wordt. 

Een halve eeuw is oud genoeg om er met respect op terug te kijken en er zijn nog mensen in leven die de oprichting zelf hebben meegemaakt. 

Meestal kan men zo'n gebeuren in zijn geheugen nog dateren aan de hand van andere gebeurtenissen b.v. vlak voor of na de dood van een dierbare of van een boerderijbrand.

Als we dus aannemen dat de zilveren vogel inderdaad is geschonken ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan der schutterij en als dit inderdaad gebeurd is tussen 1602 en 1622; dan ligt de vermoedelijke oprichtingsdatum ergens tussen 1552 en 1572. 

Het gehanteerde oprichtingsjaar 1567 wordt dan weer een stuk aannemelijker en met de wijsheid van onderstaand citaat van de heer Willem Frederik Hermans in het achterhoofd laten we het oordeel graag over aan de lezer.

"Voor wie weet met welke voorzorgen de natuurkundigen zich omringen als zij b.v. het smeltpunt van een metaal bepalen, of de brekingsindices van een kristal, is het duidelijk dat de waarheid van de historicus in vergelijking met die van de natuurkundige, niet veel meer is dan een fabel, een mythe of het waansysteem van een paranoialijder."